“In 1971, in volle hippieperiode, ben ik al liftend naar Kathmandu getrokken. In Iran had ik al een zevental vrienden gemaakt en wij logeerden allemaal samen in hotel ‘De Sultans of Swing’. Die mensen waren daar supervriendelijk en gedienstig. Het eten en de bedden, dat was allemaal dik in orde, maar de toiletten, dat was wat minder. Daar stond geen toiletpot, er zat gewoon een klein gaatje in een betonnen vloer. En er was ook geen wc-papier, dat was nog erger. Er stond enkel een kruikje met water. Dat water moest ge tegen uw kont kletsen totdat uw achterlicht weer proper knipperde. Dat voelde toch niet zo lekker aan en wij smokkelden telkens stiekem een gazet mee binnen. Na een paar dagen vonden die mensen ons ineens niet meer zo sympathiek want heel de riolering van dat hotel zat verstopt. Wij werden vies bekeken en voelden ons daar niet meer op ons gemak.
Eén ding kan ik met absolute zekerheid zeggen, er was daar geen Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding voorhanden om dat hotel te verplichten hun rioleringsysteem aan ons aan te passen. Ze hadden er iets veel humaner op gevonden. Ze hebben ons daar gewoon buitengesmeten. Tot daar de eerste parabel.
Wel, net als die Iraniërs zijn wij van nature heel gastvrij en heel verdraagzaam, maar de laatste jaren zijn er bij ons ook nogal wat rioleringen verstopt geraakt omdat er iemand een mand rotte appels had ‘doorgesjast’ en daarmee is de vriendelijkheid er hier ook een beetje uit. De mensen maar bellen om hulp, maar de ontstoppingsdienst lag politiek correct te maffen.
De tweede parabel is een gevolg van de eerste: ‘De parabel van het verschoten konijn’.
Een konijn zat rustig zijn klavers te knabbelen. De zon scheen en er kwam een eekhoorn bij zitten. Ze vertelden wat grappen over eikels en denappels. Toen kwam een vriendelijk lachende vos bij het gezelschap zitten. Meteen schoten het konijn en de eekhoorn weg en ze verstopten zich angstig onder een struik. De vos zei verbouwereerd: ‘Waarom kijken jullie zo raar? Ik kom hier gewoon wat in de zon zitten. Hebt ge iets tegen mijn ros haar misschien? Zijn jullie racisten?’ ‘Maar nee vos’, zei het konijn, ‘uw ros haar, dat kan ons absoluut niet schelen en er is hier zon genoeg, maar ik herinner mij een paar bloederige incidenten met gasten die net zoals gij van dat ros haar hadden, en daarmee weten wij nu niet zeker of gij hier komt om in de zon te zitten of om onze kop af te bijten.’
Tot daar de tweede parabel. De ontstoppingsdienst raasde voorbij, maar te laat, de argwaan had zich al in de harten genesteld en dat zijn vlekken die er moeilijk uitgaan. “
Een fragment uit de speech van Urbanus ter gelegenheid van het ontvangen van de Prijs voor de Vrijheid. Deze prijs wordt jaarlijks uitgereikt door Nova Civitas, een rechts-liberale denktank. Hoewel ik het niet altijd eens ben met de boodschap die hij brengt, kan ik de manier waarop Urbanus bepaalde problemen aankaart wel appreciëren. Hij slaagt er in gevoelens van frustratie en onmacht op een sympathieke manier te verwoorden. Of hij hiervoor de Prijs voor de Vrijheid diende te ontvangen is een andere vraag, al vormt hij wel degelijk een aparte en opvallende stem binnen het Vlaamse cultuurwereldje.
Bron: De Standaard (08/01/08)